Boek van Antoon Markus "Hij is als zwerver in den nacht
En doler door het eenzaam oord,
Waar nooit 'n lichtken vonken zal
En weêrklank vindt zijn vragend woord...."


"Hoe bestaat hij er? Hij schildert er veel uit zijn herinnering,
wat hem in ziel van zijne reizen bleef.
Hij schildert er alleen.
Des avonds in het mat-gouden licht van een olielamp, leest hij er Thomas à Kempis, bemijmert er nieuwe schetsen.
Hij leest en hij mijmert alleen. Dan kruipt hij in een kast, tot bedsteê ingericht, , [...]
haha, een gore rood-wit-blauwe vlag, een oranje vaan vlekt, en poogt te slapen. Hij slaapt er alleen, en schreit er ook vaak zijn verdriet uit om dat alleene'.
En: 'Dan schuift hij des middags aan tafel van een naburigen boer zijn stoel bij om met hen
het maal te verorberen. Dan haalt hij den volgenden ochtend uit de kolk bij zijn
woon de puts water voor zijn thee, die hij in een morsig kanneke zet.
Dan snijdt hij een schamele korst brood, verkauwt, al drentelend over
het rommelige atelier, zijn ontbijt....."
(Leo Lauer, Van een Wilden Dromer, in: Het Leven, Tiende Jaargang, no.12, 23 maart 1915).
JEUGD EN OPLEIDING

Antoon Markus wordt geboren op 7 september 1870 te Arnhem als oudste zoon van Antoon Markus sr. (1842-1907) en Hendrika Jacoba Hogenkamp 1841-1908). In de loop der jaren wordt het gezin uitgebreid met nog drie zonen. Vader Markus is destijds eigenaar van het bekende 'Koffijhuis vanouds de Kastanjeboom' op de hoek van de Grote Markt en de Turfstraat, tegenover Het Waaggebouw. Tot 1876 is Antoon Markus sr. eigenaar van het 'Koffijhuis'. Daarna gaat hij zich geheel aan de kunst wijden. Hij behaalt in 1872 de akte handtekenen voor het Middelbaar Onderwijs en wordt tijdelijk leraar aan de Hogere Burger School aan het Willemsplein te Arnhem. Na enige tijd volgt een vaste aanstelling. Ook is hij van 1874 tot 1895 leraar bij het Genootschap 'Kunstoefening' (de voorloper van de Academie voor Beeldende Kunsten) en de Normaalschool. Hij is het die zijn zoon de liefde en de eerste beginselen van de teken- en schilderkunst bijbrengt.
Tijdens wandelingen behoren papier en tekenstift altijd tot de vaste attributen. Markus sr. zelf is een niet onverdienstelijk schilder van portretten en stillevens. Daarnaast profileert hij zich als schrijver. In 1907 verschijnt, vlak voor zijn dood, een geschiedkundig standaardwerk over de stad Arnhem onder de titel ‘Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw’. Het boek wordt uitgegeven door de N.V. Maatschappij tot exploitatie der Nieuwe Arnhemsche Courant als premiegeschenk voor haar abonnees. Het gezin Markus brengt nog enkele artistieke kinderen voort. Zoon Johan Georg Markus (1875-1953) wordt violist in het Amsterdamse Concertgebouworkest onder leiding van Willem Kes. Einde negentiende eeuw gaat hij samen met Kes over naar het Scottish Orchestra van Glasgow. Hij overlijdt in Engeland in de jaren vijftig. Zoon Anne (1882-1929) wordt directeur van de tekenschool te Velp. Hij ontwerpt de Art Deco omslag voor het boek van zijn vader. De enige zoon die een niet artistieke richting verkiest is Herman (1876-1919). Hij studeert aan de Veterinaire Hogeschool in Zwitserland en wordt professor in Utrecht.


Boek van Antoon Markus
Tot 1876 is Antoon Markus sr eigenaar geweest van 'Koffijhuis van ouds de Kastanjeboom' op de hoek van de Grote Markt en de Turfstraat in Arnhem.
Antoon jr. volgt in 1886 en 1887 de lessen op 'Kunstoefening' van Sieger Baukema (1852-1936), Barend Kamm (1850-1932) en Jacob Geerlings (1859-1932). In 1888, op 18-jarige leeftijd, wordt hij toegelaten tot de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam. Daar volgt hij het gebruikelijke schilder- en tekenonderricht van de toenmalige hoogleraar-directeur, Professor August Allebé (1838-1927) en kunstgeschiedenis en esthetica van J.A. Alberdingk Thijm (1820-1899). Markus heeft grote bewondering voor Allebé als kunstenaar en pedagoog: “Eens hadden we naar levensgroot gips de Venus van Milo moeten teekenen. Ik was ermee klaar. Waar zijn de beenen van je Venus, vroeg Allebé. Die zitten toch onder het kleed, zei ik. Jongeman, zei de meester: Al zitten beenen achter een kleed, je moet aan den vorm kunnen zien, dat ze er zijn. Zulke opmerkingen vergeet je nooit. Oogenschijnlijk kleinigheden, doch op je vorming als tekenaar van groote invloed. In 1927 heb ik Allebé mee ten grave helpen dragen”. (Johan Wesselink, Antoon Markus, de vereerder der zeventiende eeuwers en der Barbizonners. In: Schilders van den Veluwezoom, Amsterdam, 1943, blz. 72-77). Markus maakt de studie aan de Amsterdamse academie echter niet af. In 1891 keert hij, na een korte periode in Epe en Deventer, naar Arnhem terug. Daar geeft hij lessen aan de tekenschool van zijn vader, de ‘School voor Beeldende Kunsten’ op de Grote Markt, later gevestigd aan de Spijkerstraat 119. Er tussendoor, in 1892, woont Markus voor korte tijd op de binnenplaats van Kasteel Doorwerth om zich in het landschap te specialiseren en zijn Dordrecht (1894) en Nijmegen kortdurende verblijfplaatsen. In dit decennium treedt Markus voor het eerst op zeer bescheiden schaal met werk naar buiten. In 1897 neemt hij met één schilderij getiteld ‘Gezicht op Dordrecht’ deel aan de ‘Vierjaarlijksche Gemeentelijke Tentoonstelling van Kunstwerken van Levende Meesters’ in Musis Sacrum in Arnhem. Daar hangt zijn werk tussen de in de regio wonende kunstenaars als Hendrikus Alexander van Ingen (1846-1920) en Cornelis Kuypers (1864-1932) en meesters als Paul Gabriël (1828-1903), Jozef Israëls (1824-1911) en andere groten van De Haagse School, die hij zo bewondert.

Boek van Antoon Markus EERSTE WANDELTEKENTOCHT

In 1899 vinden de voorbereidingen plaats voor de eerste grote studiereis, een wandeltekentocht zoals Markus het zelf noemt naar het zuiden. De reis wordt gefinancierd door een vriend van zijn vader, een bankier. Uit een brief van zijn ouders gedateerd 6 september 1899 (ter gelegenheid van zijn 29ste verjaardag) blijkt, dat zij deze reis zelf niet kunnen bekostigen. Zijn moeder schrijft: “Gij kunt en wij allen dit jaar tevreden zijn over de gunstige veranderingen in u leven en willen hoopen dat de goede gever succes moge hebben met zijn groote weldaad die hij aan u en vooral ons bewees”. Markus sr. voegt daaraan toe: “Gij zijt nu helemaal in de positie die gij jezelf gewenscht hebt, en ik niet bij machte was je te verschaffen, dat wij niet altijd in gezichtspunten overeenkwamen. Och, jongen, dat lei ook al in de omstandigheden. Ik begreep best wat ge wildet, maar van mij kon die gunstige omkeer in je positie niet afkomen, daarvoor mankeerde leider die Moneten, daar was ik uit een ouder geslacht, en dan zijn de jongeren te voortvarend in hun oog”. Dat Markus sr. niet altijd eens is met de plannen van zijn zoon mag duidelijke zijn. Langs de Maas en Maastricht belandt Markus in België, zwerft langs de Ourthe, de Lesse en de Sambre en vervaardigt talrijke tekeningen van landschappen, kerken, molens, Romaanse burchten, boerderijen, dorps- en riviergezichten met veerpontjes. Tekeningen en schetsen, soms een enkele krabbel, die later in het atelier als voorbeeld dienen voor zijn schilderijen. In Brugge ontmoet Markus de priester/dichter Guido Gezelle. In Damme vindt hij gedurende veertien maanden een atelier boven café Batavia en in dit stadje komt hij in contact met de schrijver Arthur Hubens, die zijn figuur een rol laat spelen in zijn boek 'Damme' (Bruxelles, 1899). In 1901 maakt Markus de overtocht naar Engeland, van Oostende naar Dover en verblijft een jaar in Londen, waar hij de uit Friesland afkomstige schilder Laurens Alma Tadema (1836-1912) ontmoet. Tadema woont sinds 1870 in Londen. Markus werkt in diens atelier, krijgt enkele 'karweitjes' zoals het restaureren van een schilderij en het vervaardigen van een portret. Ook heeft Markus een tentoonstelling in Londen van voornamelijk tekeningen en maakt tijdens zijn verblijf aldaar kennis met de werk van Turner en Whistler. Aan het einde van het jaar 1901 keert Markus terug naar Arnhem, waar hij van november tot oktober 1904 woont aan de Velperweg 34 naast het buiten 'Molenbeke'. Op de achterzijde van een in het atelier gemaakte foto vermeldt hij: ‘Voor een gulden per week had ik deze ruimte gehuurd. Ze was laag; het licht viel laag in. Ze had veel ramen aan alle zijden. Een der vensters op het Noorden had ik afgesloten door een groote ruit’. Gedurende een groot gedeelte van het jaar 1903 verblijft hij in Haarlem (aan de Zijlstraat 76), waar hij Théophile de Bock (1851-1904) ontmoet, die vanuit Renkum naar Haarlem is vertrokken en wordt werkend lid van de Amsterdamse kunstenaarsvereniging 'Arti et Amicitiae'. Op aandringen van zijn vader vinden nog enkele studieperioden plaats in Den Haag (1906) en Rotterdam met als doel het behalen van de akte MO-tekenen, wat echter mislukt vanwege zijn ongedurige karakter en bovendien kunnen andere vakken behalve tekenen en schilderen hem nauwelijks boeien. Na zijn studietijd zal Markus zich voorgoed in het Gelderse vestigen.


Boek van Antoon Markus
Antoon Markus geeft les in Elden 1907
DE WITTE HUT

In 1907 huurt Markus een bovenverdieping van een groot herenhuis achter de Drielse dijk in Elden. De huurprijs bedraagt één gulden per week en omdat het huis witgekalkt is, noemt hij het 'De Witte Hut'. De bovenverdieping die hij als atelier inricht, is bereikbaar via een houten trap, buiten tegen de muur. Leo Lauer heeft aan dit atelier in zijn omvangrijke artikel in het blad 'Het Leven' van 23 maart 1915 de nodige aandacht geschonken: 'Nu woont Toon Markus in 'De Witte Hut'. Gelieve mij te gelooven, het is hier een origineel pleksken gelijk ik zelden zag. Ge komt er, al stijgend op een vermolmde trap, die het gewicht van één mensch kan verduren, maar met zuchten en kraken aanvangt, zoo een dubbel gewicht haar te dragen wordt geboden. Zijt ge omhoog, ge neust er voor de verveloze deur. Is meneer niet tehuis, uw oog vindt een papieren vodje voor de ramen, met de mededeling: "De schilder op sjouw.....bij afwezigheid berichten op de deurstijl te schrijven!" En die zijn er. Ik vond er spijtig-tevredene als deze: "We hadden zoo graag het atelier gezien, wat zijn de bloesems mooi, alles lente". Zakelijk-dringende als: "Brandverzekering Van de Laar & Co, ƒ 3.12". Ik vond er luimige als: "Pierewaaier, hoe maak je het?" Mopperende als: "Toon, ik ben weer hier geweest, wanneer tref ik u thuis, ik ben al 26 keer tevergeefs hier geweest, gegroet vriend, kruidenier Boogman, Rijnstraat 57, telefoon 671". En dat alles staat er in potloodschrift, een typische en uitvoerige verzameling vormend, op de houten posten gegrifd, evenals het huis-opschrift van den schilder zelf “Domus mea - Domus laborationis”, met welk potjes-latijn de Bohémien wil verklaren, dat zich hier zijn huis - men denke niet aan een schoonmaakster - zijn werkhuis bevindt. Om extra inkomsten te genereren verzorgt Markus gedurende deze periode privélessen. Op een foto, op de achterzijde gedateerd ‘Zaterdag 6 Juli 1907 “De Pas” Elden’, begeleidt Markus enkele dames in het vervaardigen van een schilderij. In ‘De Witte Hut’ vindt menige ontmoeting plaats die uitmondt in vriendschap voor het leven. Ook Johan Wesselink heeft hier zijn eerste kennismaking met Markus. Hij schrijft: “Voor het eerst heb ik Antoon Markus ontmoet, toen ik eens van Driel over de dijk naar Arnhem wandelde en bij een oud grijs huis plotseling een zwaar bebaarde man met een vreemde hoed op z’n hoofd me riep: Zeg wandelaar, kom eens in m’n hut. Gij kent toch de witte hut? Gij zijt, - hij sprak nooit over jij of U, - Gij zijt Johan Wesselink, die in de krant van Pyttersen schrijft? Kom er in! Het zal ongeveer 1908 of 1909, misschien 1910 zijn geweest. Het huis lag beneden de dijk en ik meen, dat ik een trap op moest om in een zeldzaam Jan Steenmilieu te komen. Of de vergelijking goed is, geloof ik niet. Jan Steen zal wel niet zo’n janboel om zich heen hebben gehad als Markus in zijn ‘Witte Hut’. Boeken, schilderijen, penselen, paletten, verfpotten, schetsboeken, linnen, spieramen, deze attributen van de kunstenaar lagen tussen merkflessen, broodmand, een broek, een jas, diverse hoeden en sokken, attributen van een solitair levend man en op die morgen, boven de chaos uit, stond een prachtig rivierlandschap op de ezel. Bij dat doek verdween de chaos. Er was het schilderij en de kunstenaar alleen!”

Tijdens zijn verblijf in ‘De Witte Hut’ ontstaat rondom de figuur Markus menig anekdote. Een anekdote handelt over het water uit de nabijgelegen kolk ‘De Pas’ - in het artikel van Leo Lauer abusievelijk ‘De Plas’ genoemd - waarin Markus zich ’s morgens wast en dat hij als drink- en theewater gebruikt. Lauer: “Drommels, dat water….de originele is er fier op. Het verhaal luidt dat onze makker zelfs een uitvoer van het, volgens hem zuivere en bacteriënvrije, vocht geruimen tijd naar Den Haag heeft onderhouden (bedoeld wordt het water uit de kolk-v.V.). Een schoone dag lokte de gasten toch naar ‘De Plas’, een andere naam voor dit bedevaart-plaatsje van menigeen. Men dronk thee. Of beter: men slurpte het verkwikkende vocht uit ’n soort roodaarden bloembakjes, waaruit men met beiteltjes stof, aarde en andere ingrediënten moest hakken. Ondanks dat inconveniënt waren de aanwezige dames in extase. De thee immers was van ongekende geurigheid. Men informeerde naar de herkomst, naar het merk der substantie. En het antwoord van den artiest was, dat de thee niet heerlijk smaakte on den thee zelf, neen, dat dit kwam door het water waarvan de thee was gezet. Wat dàt dan wel voor water was? Kolk-water! En ziedaar het nieuwe bedrijf! En ziedaar de export van Eldensch moerassenvocht in kruikjes naar het luxueuze ’s-Gravenhage”. […] “Ik weet van zijn duivelskunsten in een café, waar de eigenaar niet van zijn koddige sprongen en kwinkslagen gediend was, de politie ontbood om den jolige te verwijderen. De waard had echter buiten den waard gerekend….met den schilder trok al het publiek uit de zaal”.

Boek van Antoon Markus
Receptie in Maison de Bruijn t.b.v. 125 jaar Kunstoefening. Zittend 1e rij vlnr: Mr. Baron van Heemstra (Comm. de Koningin), Dr. van Moll (voorzitter), L.C.B. Keurschot, Dr. van Ingen (architect Welsing).
Geheel links Antoon Markus
TWEEDE WANDELTEKENTOCHT

In 1907 overlijdt Markus sr. en in 1908 zijn vrouw, Markus' moeder. Om dit verdriet te verwerken onderneemt Markus zijn tweede grote voettocht, ditmaal naar Parijs. Leo Lauer geeft deze tocht in ‘Het Leven’ als volgt weer: “Hij wilde de wereld zien, de groote, mooie wereld. Maar….reizen kost geld, en pluk veeren van ’n kikker! Nevermind! Toon Markus had twee potige beenen, een ransel werd over den rug geslingerd, en op een schoonen zomerdag ging de schilder een eindje wandelen….naar Parijs. De globe-trotter stapte in ongeveer drie maanden den langen weg door België, de Ardennen, Maubeuge, Avesnes, Vervet, Soissons, Compiègne naar de lichtstad af, schetsen krabbelend, het grond-materiaal voor zijn huidigen arbeid, en des nachts de gastvrijheid inroepend van een landman en tukkend in een hooimijt. Zou ooit een artistieker chemineau toentertijde de groote weg zijn gegaan? En zorgeloos de ville lumière binnen zwalkend, zoo bleef ook deze vogelvrije bij alle bekommernissen aldaar de oolijke guit, wiens lachje bij felle bekrimping de uiting was van een rijk geestelijk leven. Hij teekende er aan de Seine, en liep menig café in en uit, er aanbiedend zijn krabbels en schetsen. Was dit om de maag te voeden, het andere, het hoogere onstoffelijke vond er voedsel te over in musea, waar sculptuur en schilderkunst dezen strever een intens genieten schonk. Hij aanbad er Rodin. Hij knielde er voor de werken van een Corot, en de grooten der Barbizonschool schonken hem menige inspiratie. Hier vond hij, Markus, wat hij in het landschap zocht, aan de Oise, de Aisne, de Sambre, d.w.z. de groote lijn, het goede begrip van indeeling”.

Hoe Markus tijdens deze tocht in zijn levensonderhoud voorziet is slechts ten dele duidelijk. Markus zelf over zijn tweede voettocht: “Ik ging naar Nijmegen, trof er een paar jagers die vroegen waar ik heenging. Naar Parijs, zei ik. Wandelen. Ze gaven me op voorhand van een te leveren schilderij leeftocht mee op reis”. (Wesselink, 1943) Ook zal, zoals Lauer aangeeft, menige tekening van zijn hand hebben gediend als ruilmiddel voor een maaltijd of overnachting in een herberg of boerderij, zoals in die dagen te doen gebruikelijk was.

Na deze voettocht, die anderhalf jaar duurt, betrekt Markus weer 'De Witte Hut' en leert in 1910 Henri van Lerven (1883-1954) kennen. Van Lerven, zelf kunstschilder en bewonderaar van het werk van Markus, bezit in Arnhem de 'Geldersche Kunsthandel' aan de Grooten Oord 10. Hij wordt een trouwe afnemer van het werk van Markus, zodat verkoop en de daaruit voortvloeiende inkomsten gewaarborgd zijn.


Boek van Antoon Markus
Uit het Gelders Archief
HUWELIJK

“Maar de avonden van weemoed zijn vele….
Als er de violette schemer waast in de lente, als een late merel tjilpt en het liefke nokt, als de bloesems geuren en hem roze bruidsbouquetten zijn, als er binnen, in de werkplaats een nieuw doek gereed staat, hetwelk hij dezen zonnigen dag voltooide….en geen enkele is er om hem te loven, zie, dan voelt deze goedige zonderling zoo intens, hoe eenzaam en folterend het leven is zonder ’n vleugken van waarachtige liefde….”.
(Lauer, 1915)

In deze periode, dat Markus alleen in ‘De Witte Hut’ woont, leert hij Anna Balster kennen. Anna, geboren te Olst op 18 mei 1888 is op dat moment als kamermeisje werkzaam in hotel ‘Du Soleil’ aan de Oude Kraan in Arnhem. Officieel treden zij op 19 augustus 1915 in het huwelijk, maar in het voorjaar van dat jaar wordt alvast een voorschot genomen op de huwelijksvoltrekking en “werd in de Kolk bij de Witte Hut een Bruegheliaansch huwelijksfeest gevierd, dat in de annalen van de Geldersche kunstbroeders met gouden letteren is opgeteekend. Te Oosterbeek, waar hij deftig zou gaan wonen, werd het huwelijk nog eens gevierd, maar iets minder Bruegheliaansch”. (Lauer, 1915) Het huwelijk en de aankondiging daarvan, worden door de kunstbroeders en bekenden met gemengde gevoelens en soms ongeloof ontvangen. Vriend en kunstschilder Xeno Münninghoff (1873-1944) bewaart de ondertrouwkaart in zijn plakboek en schrijft daarbij het volgende: “een kaart die niemand in ernst opvatte en toch is ’t huwelijk voltrokken, de ‘Eldensche Meester’ woont thans in de Gelderschebloem te Oosterbeek - met Anna (zijn vrouw)-“. P.K. (=Pieter Koomen-v.V.), die de tentoonstelling in Kunstzaal ‘Protector’ in 1916 in Rotterdam recenseert, beschrijft daarin zijn reactie op het huwelijk als volgt: “Niet onmogelijk is het, dat de schilder voor sommigen heel wat minder “intressant” is geworden, sedert hij (in 1915) gehuwd is en zijn vrouw wel zorgen zal, dat de vloer van zijn werkplaats niet meer bezaaid is met gebruikte-en-afgedankte frontjes en boorden en dat hij andere gordijnen voor de vensters heeft dan de spinnenwebben vroeger daartoe aangewend”. Leo Lauer, die Markus’ eenzame en bizarre bestaan meemaakt in ‘De Witte Hut’ gunt hem een ander leven. Hij schrijft de bruidegom in een brief gedateerd 17 augustus 1915: “Je hebt je jaren van zwerven door dit leven gehad. Je bent steeds temidden van de menschen, de vreemden, geweest. Je zult thans wel beseffen, dat er iets anders, iets beters in het leven, ook voor den, op avontuur belusten, kunstenaar als jij, bestaat, een eigen huis, een eigen vrouw. Kerel, daar hebben wij, mannen, behoefte aan”. In het huwelijksjaar wordt ‘De Witte Hut’ verlaten en neemt het echtpaar begin augustus 1915 zijn intrek in het huis de ‘Geldersche Bloem’ aan de Benedendorpsweg 106 (toentertijd Benedendorp C96) in Oosterbeek, waar op 3 mei 1916 dochter Aaltje Hendrika Jacoba wordt geboren. Aaltje, die later haar naam verandert in Aline wordt toneelspeelster en voordrachtkunstenares. Het huis heeft daarvoor reeds enkele kunstenaars geherbergd en wel Anton Mauve (1838-1888) en de Arnhemse kunstschilder Meiners (1819-1894). Het pand wordt op 2 oktober 1919 door brand beschadigd, waarbij een groot aantal tekeningen van Markus verloren gaat. Het gezin woont daarna aan de Zwarteweg (de huidige Parallelweg), waar op 29 mei 1920 zoon Antoon wordt geboren. Vervolgens aan de Van Deventerweg 4 en in 1923 voor korte tijd in 'Het Hofje' aan de Jan van Embdenweg 21 (heden 51). In 1924 betrekt Markus het speciaal voor hem gebouwde huis met atelier aan de Wolfhezerweg, in die tijd nummer 18 (heden 16), dochter Aaltje de eerste steen legt. Het pand is in feite niet meer dan een groot atelier. Wonen is er geen luxe. De muren zijn één-steens en het atelier - de werkplaats zoals Markus het zelf noemt - vormt één geheel met het woongedeelte. De slaapgedeelten zijn slechts met jute afgeschermde ruimten, waardoor de kinderen zowel de geneugten als ook de perikelen van het huwelijk meekrijgen. Hier woont Markus tot aan zijn overlijden in 1955. Zijn laatste grote wandeltekentocht brengt Markus in Duitsland. Gedurende de maanden november en december 1925 verblijft hij in Kleef (datering door hem aldaar gemaakte tekeningen: 11 november - 6 december). Deze tocht is niet primair een studietocht als de twee voorafgaande, maar een vlucht uit het alledaagse bestaan. Markus is geen doorsnee echtgenoot en vader. Gehuwd op bijna 45-jarige leeftijd zal het hem veel moeite hebben gekost zich aan te passen aan een huiselijk bestaan met vrouw en kinderen. Het huwelijksleven en de daaruit voortvloeiende verplichtingen ten aanzien van de opvoeding van de kinderen brengen dan ook grote spanningen met zijn mee en rusten zwaar op zijn schouders. Ook financiële problemen veroorzaken spanningen binnen het gezin. In uiterste nood kan Markus een beroep doen op het ‘Potje van Ferwerda’. De Renkumse kunstschilder Barend Ferwerda beheert dit fonds, een soort crisisondersteuning voor kunstenaars van de regering. Een enkele maal heeft Markus een beroep op deze voorziening gedaan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt de financiële situatie beter. Vakanties naar het buitenland worden te riskant en de vakantiegangers verblijven dan in de hotels in de omgeving. Regelmatig bezoeken zij Markus’ atelier, aangetrokken door het bord ‘TENTOONSTELLING MARKUS’, dat buiten tegen het huis is geplaatst.


Boek van Antoon Markus
Wolfhezerweg 16 te Wolfheze 1940
DE KUNSTENAAR ANTOON MARKUS

Oeuvre

Het oeuvre van Markus laat duidelijk zien dat hij landschapschilder is. Portretten en bloemstillevens van zijn hand zijn nauwelijks bekend. Tijdens zijn academie-periode kan modeltekenen hem ook niet boeien. Zijn aandacht wordt vooral getrokken door het landschap, pittoreske dorpjes en riviergezichten. Opvallend in zijn werk is de verhouding lucht-land. Zijn schilderijen worden gekenmerkt door hoge luchten. “God schiep hemel en aarde” zei hij dan, “de hemel eerst en dan de aarde”. Zijn bijzonder karakteristieke wijze van schilderen wordt in het blad 'De Hofstad' van 15 juli 1922 naar aanleiding van een tentoonstelling van de Kunstvereniging 'Artibus Sacrum' te Arnhem als volgt verwoord: “Vooral 't transparante, 't atmosferische, dat 't Fransche landschap omhult en waardoor de groote lijnen zich markanter afteekenen, tegen de hooge luchten, dat is 't wat Markus tot uitdrukking tracht te brengen, niet alleen in 't Fransche maar ook in 't Hollandsche landschap, waarvan vele doeken op deze Tentoonstelling aanwezig zijn, en waar vooral ook weer 't water hem trok. Ruimte, soms van een oneindigheid, en rust, spreekt uit al zijn werken tot ons. Als visionair, stelt hij 'de toon' op z'n doeken, boven de kleur. Door schijnbare negatie voor de kleuren die de natuur ons voor oogen toovert, bepaalt Markus zelf z'n kleur, en dikwijls een zeer fantastisch geheel ontstaat, absoluut buiten de natuur, en toch waar. 't Houdt 't principe in 'de grootste leugen en tevens de grootste waarheid', de 'natuur wél middel maar géén doel”.

En zo ontwikkelt Markus een zeer specifieke, zeer herkenbare stijl. Johan Wesselink schrijft: 'Antoon Markus spreekt niet van kleuren. Hij, de schilder van de Betuwe vooral, hij kent in dat wonderlijke land alleen de tonen. “Kleuren, zegt hij, komen uit de tuben, maar het wézen schuilt in den toon” en “Markus kent alleen een lucht en een aarde, de hemel hoog boven de aarde. De hemel met woelende, stuwende wolken, de aarde in de schaduw en in de stilte van bepeinzing en rust. Al het andere is iets bijkomstigs. De boomen als een eenvoudige sieraad; het water verstild in de algemene rust, de hoeve, de toren, de ruìne als donkere droomen in de groote schaduw over de aarde. Markus schildert in blauw- en groen-grijzen, in bruin-grijzen met luchten van parelgrijs en warm-doorschijnend bruin. Daarom wordt hij wel eens ééntonig en somber genoemd. Maar hoe ligt in zijn somberheid de groote rust, de ernst der bepeinzing en het ontzag voor het donker geheim der aarde. Hoe ligt er in zijn ééntoon een eenvoud en bezonkenheid en ook de nauw merkbare en toch zeer rijke wisseling der stemmingen”.


Boek van Antoon Markus
Wolfhezerweg 16 te Wolfheze 1939
Tekeningen

In het werk van Markus nemen zijn tekeningen een belangrijke plaats in. Hij beschouwt het tekenen als één van de voornaamste kundigheden voor een kunstschilder. “Voor hij gaat schilderen, zegt hij, moet de schilder teekenen, teekenen en nog eens teekenen” Het verhaal gaat, dat als een aankomend schilder bij hem op bezoek komt, hij als eerste vraagt: “Schildert U? Juist, maar kunt U ook teekenen?”. Markus heeft in zijn werkzame leven duizenden tekeningen gemaakt. L. Couturier hierover: [...] “meer dan 20.000 teekeningen leveren het bewijs van zijn studie en den ernst waarmede hij, de schijnbaar lichtzinnige, zijn kunst opvat”. Helaas is in de laatste oorlog veel hiervan verloren gegaan. Markus zelf was zuinig op zijn tekeningen: “Verkoop nooit je tekeningen, ze zijn het brood in je kast”. (Arnhem Centrum, 1930) Veel tekeningen worden gemaakt tijdens de voettochten door België en Frankrijk. In latere jaren worden aan de hand van die schetsen de schilderijen vervaardigd. Titels van later werk herinneren aan deze tochten: ‘Het Minnewater te Brugge’, ‘Le pont de Durbuy’, ‘Plassen bij Laon’, ‘Le moulin de Verneuil’. Johan Wesselink schrijft over de tekeningen als volgt: 'Deze bezit hij in een verrassende hoeveelheid en zij boekstaven de ervaringen van een gansch leven. Uit dat gezichtspunt is de verzameling dus ook zeer belangrijk. Het zou wel interessant zijn om eens na te gaan wat van al die schilderachtige plekjes in Nederland, België en Frankrijk behouden is gebleven. Hebben deze teekeningen waarde als landschappelijke documenten, grooter is die waarde nog door het artistieke. In ons eerste artikel schreven wij een woord van Dupré, dat men alleen in gelukkige uren een tekening maakt. Welnu, in Markus teekeningen zien we, dat zij in gelukkige uren vervaardigd zijn. Steeds is er een stemming in van rust, stilte en evenwicht. Toch zijn ze ook levendig en dank zij soberheid naast elegance in lijnen, bezitten zij distinctie en charme. Markus is zuinig op zijn teekeningen, die hij gaarne, als Van Ingen, noemt het brood in de kast, dat je niet verkoopt. Na vele jaren soms, is zoo'n teekening zijn herinnering aan het gelukkige uur en het schoone onderwerp scherpend, - de basis, het motief, de geest van een schilderij geworden. In iedere teekening is de verticale lijn aanwezig, die aan de lucht ruimte, aan het horizontale weidsheid verleent. In de collectie vindt ge impressies van het lage Hollandsche land, van de rivieren met de veren en bootjes van visschers, met een baken, een populier, een kerktoren. Uit de Ardennen zijn het de omtrekken der bergen met een rivier en een ruige steenen brug of met een kasteel of een eeuwenoude boom terzijde. In de compositie is altijd een verdeeling, die het symmetrische ontwijkt, een rustig evenwicht bewaart. Vlaanderenland met zijn popels en oude stadjes en dorpen, Frankrijk ook met kasteelen en torens en rijzend geboomte, hun wezen en aard heeft hij in teekeningen en schetsen levendig genoteerd. Soms heeft hij in aquatinten de sfeer van het landschap verhoogd en meer blijmoedigheid in het onderwerp gebracht'. (Wesselink, 1940)


Boek van Antoon Markus
Augustus 1920
Markus schrijft in zijn ‘Levensoverdenking’ voor het maandblad ‘Bovenover’ van het Christelijk Lyceum te Arnhem in 1951: “Wat heb ik, tot op deze dag, aan de tekening veel te danken. De schilder Ingres zegt het zo juist: 'Le dessin est la probité de l'art'. Met een stumperig stukje krijt is in een tekening alles te zeggen, waar het gaat om de schoonheid der natuur. Die schoonheid, die ons gehele wezen bezielt, en die wij trachten te benaderen. Het tekenen is spreken en schrijven tegelijk. Wat kan in vele gevallen, soms na vele jaren, een onschuldig raak krabbeltje van enkele minuten, de grondslag zijn voor een degelijk op te bouwen schilderij”. Een voorbeeld hiervan is de tekening van een boerderij, gedateerd 27.6.1898. In 1935 schrijft Markus op de achterkant van deze tekening het volgende: ‘Naar deze teekening schilder ik op Vrijdag 31.Januari 1935 het schilderij 2889 en op maandag 29 juni 1936 het schilderij 2946’. Bovenstaande illustreert tevens, dat Markus een tekening gebruikt voor het vervaardigen van meerdere schilderijen van hetzelfde onderwerp.

Schilderijen

In het reeds geciteerde artikel uit 1930 schrijft L. Couturier: “Meer dan 1200 schilderijen getuigen van zijn werkdrang en schilderlust” […]. Markus zal in de daaropvolgende 25 jaar zijn productie ophogen tot rond de 4000 schilderijen, gezien de nummering achterop de spieramen, die dit aantal benadert. Ondanks zijn grote liefde voor de kunst en de serieuze manier, waarop hij ermee omgaat, ontkomt ook Markus niet aan de ‘strijd om het dagelijks bestaan’. Vooral als de ‘Geldersche Kunsthandel’ van Henri van Lerven in 1918 liquideert en hij een belangrijk afzetgebied kwijtraakt, ontstaan in zijn atelier verscheidene ‘riviergezichtjes’ en ‘heidekijkjes’, die aan de smaak van het grote publiek tegemoet moeten komen. En zo is zijn werk, vooral gedurende de latere jaren (na 1920) niet van een constante kwaliteit. Daarnaast mag verondersteld worden dat het onderhouden van een gezin met opgroeiende kinderen en het wonen in een huis met vaste lasten Markus er toe gedwongen heeft een stuk artisticiteit te laten varen in ruil voor inkomsten. Dit moet zwaar ingedruist hebben tegen zijn artistiek gevoel en moet hem hebben beknot in zijn vrijheid als kunstenaar. Dit in tegenstelling tot enkele van zijn tijdgenoten, die naast het schilderen vaste inkomens hebben. Zo is bijvoorbeeld Xeno Münninghoff als directeur en tekenleraar werkzaam aan de Avondteekenschool te Renkum en Oosterbeek. Dat het leven financieel niet altijd rooskleurig is, bewijst een bordje dat aan de deur van de woning aan de Wolfhezerweg is bevestigd: “Toon is wel thuus, maar heeft geen geld”.


Boek van Antoon Markus
Antoon Markus met 'gezicht op Arnhem' 1927
Signatuur

Markus signeert zijn werk altijd heel punctueel. De schilderijen en tekeningen signeert hij met zowel zijn voor- als zijn achternaam als met alleen zijn achternaam. Het werk wordt altijd voorzien van het jaar, waarin het is vervaardigd, soms aangevuld met dag- en maandaanduiding. Op de tekening ‘Elden’ van vrijdag 25 juni 1909 vermeldt hij zelfs de tijd van vervaardiging: namiddags 4 ½ uur. Daarnaast vermeldt Markus zijn woonplaats ‘Oosterbeek’ op een aantal schilderijen onder zijn signatuur, waardoor ten onrechte de indruk kan ontstaan, dat een Oosterbeeks tafereel is afgebeeld. Zijn tekeningen voorziet hij vaak van een monogram, samengesteld uit de eerste letters van zijn voor- en achternaam. Deze letters smelt hij samen tot het monogram AM, afgeleid van een Ave-Maria teken, dat hij eens in een kerk is tegengekomen. Aan de signatuur voegt Markus regelmatig de Latijnse werkwoordsvorm ‘fecit’ (‘heeft gemaakt’) toe. Curieus is de aantekening, die hij plaatst op een tekening uit 1929, ‘Aetatis 58’, letterlijk vertaald als ‘van de leeftijd 58’. Een aantal schilderijen wordt gesigneerd met ‘Maranto’, een samenvoeging van de woorden Markus en Antoon. Een enkele keer wordt aan een schilderij een persoonlijk woord toegevoegd. Zo schrijft hij op het spieraam van een schilderij, dat hij vervaardigt op 28 juli 1926: “Dit is de Hoenplas, waar ’t zoo lieflijk was”. Tenslotte voorziet hij zijn schilderijen van een volgnummer, dat hij in rood potlood achterop het spieraam vermeldt. Deze nummers corresponderen met de nummers in de door hem aangelegde dagboeken. Daarin worden vastgelegd de datum en het jaar waarin het schilderij is vervaardigd, de titel van het werk, de datum waarop het is verkocht, aan wie en voor welke prijs. Een groot aantal boeken is tijdens de Tweede Wereldoorlog zoekgeraakt.

Contacten met collega kunstenaars

Hoewel Antoon Markus zich tijdens de praktische uitoefening van zijn kunstenaarschap volledig solitair opstelt - hij werkt altijd alleen in zijn ateliers en ‘en plein air’ (in de open lucht) - houdt hij zich niet afzijdig van collegiale contacten met kunstbroeders uit zijn tijd om met hen van gedachten te wisselen over de schilderkunst. De eerste intensieve contacten in dat verband dateren uit 1894 en wel met Jan Toorop (1858-1928). Toorop heeft in dat jaar in Arnhem een tentoonstelling van schilderijen en tekeningen, georganiseerd door de Kunstvereniging ‘Artibus Sacrum’. Markus zal deze tentoonstelling hebben bezocht, want in datzelfde jaar vindt een briefwisseling plaats tussen beide kunstenaars en is er zelfs sprake van vriendschap. Victorine Hefting beschrijft dit in haar boek ‘Jan Toorop, een kennismaking’: “Zoals gezegd gaf de kunstenaar zelf niet graag uitleg van zijn werk, maar onder andere voor De Drie Bruiden maakte hij een uitzondering. Aan zijn vriend Antoon Markus stuurde hij op 24 juni 1894 op diens verzoek een uitvoerige uitleg […] “. De kennismaking met het werk van Toorop moet grote indruk op de dan nog jonge Markus hebben gemaakt. In een brief die hij op 18 juni 1949 schrijft naar aanleiding van de dreigende opheffing van ‘Artibus Sacrum’, bijna 55 jaar later, haalt hij deze tentoonstelling aan als één van de wapenfeiten van de vereniging: “Een bijzonder mooie tentoonstelling kan ik me nog goed herinneren. In 1894 een Tooroptentoonstelling in de Loge. Hier werd Toorops: Drie bruiden voor het eerst tentoongesteld en was voor zeshonderd gulden te koop”.

In de loop van de tijd ontstaan vriendschappelijke banden met plaatsgenoot Xeno Münninghoff, Gert Stegeman (1858-1940) uit Arnhem, wonende in de Sabelspoort, Theo Goedvriend (1879-1969) uit De Steeg en Louis Apol (1850-1937) uit Den Haag, die regelmatig in de streek rondom Velp en Rozendaal schildert. Allen landschapschilders pur sang, maar met een totaal verschillend palet, waarbij van wederzijdse beïnvloeding nauwelijks sprake is.


Boek van Antoon Markus
Opening van de Eere-tentoonstelling van Antoon Markus op 13 mei 1931. Zittend van links naar rechts: Mw. Anna Markus-Balster, Antoon Markus, dochter Aline en zoon Antoon. Staand van links naar rechts: 2e van links Mw. Franken, 4e van links uitgever St. Gouda Quint, Mw. Baumann-Hioolen, tekenleraar Van den Haagen, Mr. Frowein, architect M. Franken, Mw. E. Roest van Limburg en twee onbekenden.
Tentoonstellingen en verenigingen

Antoon Markus heeft gezien zijn lange kunstenaarsloopbaan relatief weinig geëxposeerd. In 1914 en 1916 heeft hij solotentoonstellingen bij de 'Geldersche Kunsthandel' in Arnhem. De laatste tentoonstelling was ook te zien in Kunsthuis ‘Esher Surrey’ in Scheveningen en Kunstzaal ‘Protector’ in Rotterdam. Daarvoor waren er tentoonstellingen van tekeningen in Londen (1901), in ‘Kunstzalen-Oldenzeel’ in Rotterdam (1902) en bij ‘Gerbrands’ Kunstzaal’ in Arnhem (1911). In zijn geboorteplaats wordt Markus in 1900 lid van de Kunstvereniging 'Artibus Sacrum' en van ‘De Arnhemsche Kunstkring’. Deze kring, opgericht op 9 november 1918, is slechts een kort leven beschoren. Door onderling gekrakeel is zij in 1921 al weer ‘slapende. Markus bedankt reeds op 30 september 1920.

‘Artibus Sacrum’, opgericht in 1878 door onder andere Antoon Markus sr., organiseert ledententoonstellingen in de zaal van de Vrij Metselaarsloge aan de Rijnstraat, in de bovenzaal van het Sociëteitsgebouw aan de Koningstraat, in de foyer van Musis Sacrum en vanaf 1915 in de Korenbeurs. In 1922 exposeert Markus in deze locatie samen met Hendrik Nicolaas Postma (1873-1945) en Gert Stegeman. In 1931 organiseert de vereniging in verband met Markus' zestigste verjaardag een eretentoonstelling in de Korenbeurs. Deze tentoonstelling moet bijzonder omvangrijk zijn geweest, want in de catalogus worden maar liefst 220 titels van schilderijen - in chronologische volgorde (de oudste uit 1893) - vermeld. Andere bekende leden en exposanten van ‘Artibus Sacrum’ zijn Sieger Baukema, Théophile de Bock, Charles Dankmeijer (1861-1923), Barend Ferwerda (1880-1958), Dik Ket (1902-1940), Cornelis Kuypers, Johan Mekkink (1904-1991), Xeno Münninghoff en zijn echtgenote, Tilly Münninghoff-van Vliet (1879-1960).

In tegenstelling tot veel van zijn collega’s in de omgeving is Markus geen lid van ‘Pictura Veluvensis’ (1902-1935), een door onder andere Théophile de Bock te Renkum opgerichte kunstvereniging. Het is bekend, dat hij slechts eenmaal deelneemt aan een tentoonstelling en wel in 1912.Later, na de Tweede Wereldoorlog, sluit Markus zich niet meer aan bij verenigingen. Tevens weigert hij zitting te nemen in besturen van dergelijke verenigingen: “In besturen van Kunstenaarsverenigingen heb ik nooit gezeten. En maar al te goed wetend, hoe moeilijk het is om wat goeds te maken, zo wilde ik nooit een jury-lid zijn en mijn stem laten horen, bij het al dan niet aannemen van een schilderij voor een komende tentoonstelling. ‘Artibus Sacrum’ wordt in 1949 opgeheven. Na de oorlog is er geen expositieruimte meer voorhanden, het archief en de ledenlijsten zijn verloren gegaan en de belangstelling van vooral de jongere generatie kunstenaars loopt terug. Er wordt een nieuwe vereniging opgericht, de Vereniging voor Beeldende Kunst ‘Arnhem’, waarin ‘Artibus Sacrum’ uiteindelijk opgaat. Hoewel geen lid meer laat de opheffing van de vereniging Markus niet onberoerd. Door ziekte verhinderd schrijft hij een brief (27), die tijdens de opheffingsvergadering van 21 juni door de toenmalige voorzitter, de heer J.C. de Joode, wordt voorgelezen. Markus: “Als jullie daar zitten te vergaderen en het voortbestaan der kunstvereniging Artibus-Sacrum te Arnhem bespreken, lig ik op mijn onschuldige bedje aan de Wolfhezerweg te Oosterbeek en vergader met jullie vanuit mijn bed mede. En mocht er een stemming wezen, dan kent gij mijn stem want U allen weten drommels goed, waar ik voor ben en waar tegen”.
En hij besluit: “En nu basta. Ik ga van mijn praatstoel. Groet alle braven ter vergadering aanwezig. Ik droom op de vergaderavond in Nationaal van Artibus-Sacrum; ik laat alles de revue nog eens passeren. En ik droom dat het bewaarheid wordt en dat Artibus Sacrum te Arnhem nog blijft voortbestaan. Mocht het zoo wezen!!!” De brief van Markus kan de opheffing van de vereniging niet verhinderen. Op een oproep om op te geven wie zich nog als lid beschouwd wil zien, melden zich vijfentwintig personen. Van deze vijfentwintig komt slechts een klein aantal op de laatste vergadering. Het indertijd oudste lid van de vereniging, Barend Ferwerda, verzucht dat het dan maar beter is eervol te sterven dan krachteloos voort te leven. Het doek valt voor ‘Artibus Sacrum’, de vereniging heeft dan bijna zeventig jaar bestaan.


Boek van Antoon Markus
Tentoonstelling Museum Veluwezoom Kasteel Doorwerth 2003.
Naast het werk, dat op diverse tentoonstelling is te zien, hebben de 'Geldersche Kunsthandel' in Arnhem en - in latere jaren - de Oosterbeekse kunsthandel Joh. Gerritsen aan de Utrechtseweg, die ook veel inlijstingen voor Markus verzorgt, continu werk in voorraad. Veel van zijn werk - al of niet in opdracht vervaardigd - verkoopt Markus vanuit zijn atelier. Ook houdt hij regelmatig tentoonstellingen aan huis, in zijn atelier aan de Wolfhezerweg.

Een belangrijke opdracht krijgt Markus in 1948, toen hem gevraagd wordt een stadsgezicht van Arnhem te maken. “Op die dag (1 april 1948) in het café-restaurant Centraal, ontving de directeur, de heer J. van Hooydonk de burgemeester, de heer Matser, de familie Markus en enige vrienden en trouwe bezoekers. In de oorlog waren daar vele schilderijen, o.a. van Markus en Stegeman verloren geraakt. Antoon Markus kreeg van de heer van Hooydonk de opdracht voor 'n lege wand een schilderij te maken. Het werd één zijner laatste werken. Het was licht en ijl alsof hij Arnhem gezien had in een blije en verre herinnering aan de stad, haar Eusebiustoren, de Rijn en onder een hoge, lichte hemel, waarvan hij zovaak sprak als het heerlijkste in de natuur. God schiep hemel en aarde, zei hij dan, de hemel het eerste en dan de aarde. Was het licht, dat hij hier op zijn palet bracht, misschien het licht waarna hij in zijn ouderdom naar verlangde? Nog is het doek het mooiste bezit van de heer Van Hooydonk en in de eetzaal van Riche-Nationaal hoort ge de stem van Antoon Markus, niet de avonturier en zwerver, doch een andere Markus, die de liefde bezat voor zijn geboortestad, voor de natuur, de hemel en de aarde, de hemel het hoogst, voor de schepping....ik heb het ervaren....voor de Schepper”. (Wesselink, 1970) Genoemd schilderij 'Gezicht op Arnhem' hangt tegenwoordig in Brasserie 'Klein Hartenstein' te Oosterbeek. (Nawoord: in 2016 is dit schilderij overgebracht naar de kleine zaal van de Concertzaal aan de Benedendorpsweg te Oosterbeek).

Tenslotte worden aan het werk van Antoon Markus nog drie tentoonstellingen gewijd. Van 8 december 1979 tot 14 januari 1980 vindt een overzichtstentoonstelling plaats in het Gemeentemuseum in Arnhem en het Städtischen Museum Haus Koekkoek in Kleef (Dld) organiseert in 1980 een tentoonstelling onder de titel 'Antoon Markus-Zeichnungen von Kleve 1925'. Deze omvat tekeningen, die Markus tijdens zijn verblijf in Kleef in 1925 aldaar heeft vervaardigd. De laatste grote overzichtstentoonstelling over leven en werk van de kunstenaar wordt opgezet door de Werkgroep Veluwezoom van de Stichting voor Heemkunde in de Gemeente Renkum van 26 september tot en met 31 oktober 1992 in Kasteel Doorwerth.

Waardering door tijdgenoten

Antoon Markus ontvangt tijdens zijn lange kunstenaarsloopbaan veel aandacht en waardering. Met regelmaat verschijnen artikelen in de regionale pers en landelijke weekbladen als ‘Het Leven’ en ‘Op de Hoogte’. Deze artikelen hebben in het begin van de vorige eeuw vooral betrekking op tentoonstellingen waaraan Markus deelneemt. Later, na ongeveer 1930, hebben deze een meer retrospectief karakter. Markus heeft dan in zijn werk een punt bereikt waarin nauwelijks nog sprake is van enige ontwikkeling en aan tentoonstellingen neemt hij niet meer deel. Publicaties worden nu opgehangen aan verjaardagen, een opdracht die hij krijgt en er zijn diverse ontmoetingen met publicisten in het atelier van de kunstenaar. Artikelen worden dan gelardeerd met anekdotes en gebeurtenissen uit Markus’ roemruchte verleden en zo passeren de wandeltekentochten en zijn bizarre verblijf in ‘De Witte Hut’ steevast de revue. Markus, als geboren verteller, zal hieraan ook zijn steentje hebben bijgedragen. Zoals gebruikelijk trekken recensenten in hun beoordeling vergelijkingen met het werk van tijdgenoten. Zo wordt in een artikel in de Arnhemsche Courant van 1912 het werk van Markus vergeleken met dat van Münninghoff: “Münninghoff heeft zijn onderwerp gezien, Markus heeft het gevoeld. Bij de ene dus de strenge realiteit, het strak-geziene, bij de ander het vaag-geziene het meer overdachte”. Mijns inziens heeft de zojuist vermelde recensent in zijn vergelijking met het werk van Münninghoff de kern van Markus’ werk zeer goed getypeerd. Markus komt in zijn schilderijen nooit tot een puur realistische weergave van zijn onderwerp. Een boom wordt vaag weergegeven, een huisje, een bootje of een figuur met een enkele penseelstreek neergezet en zo volledig ondergeschikt gemaakt aan het landschap. Markus zet de uitbeelding en de opbouw van zijn onderwerp neer in romantische sfeerbeelden van nauwelijks van elkaar te onderscheiden kleurnuances, ‘tonen’ zoals hij die zelf noemt en die hij vindt in de overgangen van licht naar donker. In tegenstelling tot zijn extraverte en kleurrijke persoonlijkheid is hij in zijn werk de ingetogen romanticus, nooit uitbundig in kleuren. Zijn werk wordt ook met dat van Charles Dankmeijer vergeleken: “Dankmeijer is uitbundig, onmatig soms in zijn wild opgelegde, schier ongemengde kleur, Markus daarentegen zoekt het gevoel van romantiek dat hem beheerscht, te uiten in de contrasten van donker en licht en in het verloop der groote lijnen, die het karakter van het landschap aangeven. Beiden tooveren het beeld van een landschap om tot een vertolking van hun eigen sterke inzicht in de natuur”. (Nieuwe Rotterdamsche Courant, 9 mei 1916, n.a.v. tentoonstelling in Esher Surrey, Scheveningen) Het zijn juiste typeringen, die daarmee het werk van Markus recht doen. Kritiek is er ook. Men vindt Markus beperkt in de keuze van zijn onderwerpen en de uitwerking daarvan wel eens eentonig en zwaarmoedig. Wesselink wenst Markus ook wel eens wat meer kleur toe. Markus wijkt echter niet af van de ingeslagen weg. Kritieken raken hem nauwelijks en hij is wars van moderne invloeden, die in zijn tijd opgang doen. Hij blijft zijn inspiratie vinden in het werk van de schilders van het Franse Barbizon, die ook in de open lucht schilderden in de bossen van Fontainebleau en de schilders van de Haagse School, die Oosterbeek en omgeving reeds ontdekten als het ‘Hollands Barbizon’. Dan is er de uiterst herkenbare stijl: een ‘Markus’ is op afstand te herkennen. Daarentegen loert hier echter een zeker gevaar van een routineuze manier van werken, het gevaar van het stereotype schilderij in opbouw en kleurgebruik. De typering ‘eentonig’ en ‘zwaarmoedig’ van een enkele criticus is dan ook goed te begrijpen.


Boek van Antoon Markus
Antoon Markus oud 23 jaar, schildert ten huize van Dirk Spruijt te Dordrecht een muurschildering getiteld
"de Kijk over den Dijk" te Dordrecht
DE LAATSTE JAREN

Markus is, vooral door zijn uiterlijk, een opvallende verschijning. Zijn gezicht is gesierd met een indrukwekkende baard, hij heeft lange haren, zijn hoofd is getooid met een maaiershoed en tijdens zijn veelvuldige wandelingen heeft hij altijd een lange, knoestige stok in de hand. Een verschijning, die in de snel veranderende naoorlogse maatschappij bijzonder genoemd mag worden. In een artikel in de ‘Autokampioen’ van 31 december 1955 wordt dit beeld verder uitgewerkt tegen de achtergrond van de steeds moderner wordende mens: “Een leven als dat van Markus zal de op tempo en comfort gestelde automobilist van onze dagen bijna ongeloofwaardig voorkomen. In wezen immers staat hij van deze baardige figuur, met een geschilde knuppel, de ruige manen bedekt door beremuts en maaiershoed, even ver af als van een bedelmonnik en de minstreel der middeleeuwen en van de Russische staretz uit Tolstoi's tijd. Want al deze markante kerels konden eindeloos lopen en schier eindeloos vasten en genoegen nemen met het geringste, verteerd als zij werden door hun ideaal, dat altijd, achter de horizon lag. Daarbij speelde de tijd geen belangrijke rol” en: “Met zijn knuppel gewapend maakte hij zijn eigen pad door de ruigte, hij ging ook zijn eenzame weg door de samenleving, ongetwijfeld inbreuk makende op de gangbare, burgerlijke opvattingen en trappende op vele tenen”.

Markus is behalve kunstenaar een geboren verteller. Zijn groot gevoel voor humor komt hem hierbij goed van pas en zo kan hij zijn gezelschap urenlang boeien over hetgeen hij op zijn reizen had beleefd. Tevens is Markus een zeer belezen man en bezit hij talrijke boeken. Hij heeft een diep religieus gevoel en heeft grote kennis van de Bijbel. Vooral tijdens zijn Oosterbeekse periode verzamelt Markus een groot aantal vrienden en kennissen om zich heen, waarvan Xeno Münninghoff, Johan Wesselink, Edgar Tant (een Frans-Belgische dichter), de dichter Koos Speenhoff en de Renkumse onderwijzer en schrijver Wout van den Born tot de bekendsten behoren. Wout van den Born komt regelmatig in Markus' atelier en schrijft naar aanleiding van zijn overlijden: “Menig uur heb ik al luisterende naar de verhalen van mijn vriend Toon in zijn atelier doorgebracht. Een enkel verhaal wil ik u niet onthouden. Op een morgen toog Markus met een schilderij naar Oosterbeek. Zijn eerste gang was dan naar Kunsthandel Gerritsen. Meestal werden Gerritsen en hij het niet eens en dan wandelde Toon maar weer verder. Zo kwam hij bij een prachtig schip, naast het Rijnhotel in Arnhem. Dat woonschip droeg de naam 'De Prins van Oranje' en het werd bewoond door een steenfabrikant uit Lent. Daar belde Toon aan. Het dienstmeisje deed open. Toon vroeg of de Prins van Oranje ook thuis was, waarna het meisje zegt: 'Nee, meneer is niet thuis, maar wie kan ik zeggen dat er geweest is?', waarop Toon heel lakoniek antwoordt: Balthazar Gerards'. Kijk, hier heb je Antoon Markus nu ten voete uit”.

Ook is Markus een geziene figuur binnen het Oosterbeekse maatschappelijke en culturele leven. Vooral op latere leeftijd wordt hij door zijn tijdgenoten zeer gewaardeerd en worden ter gelegenheid van zijn zestigste, zeventigste en tachtigste verjaardag huldigingscomité ‘s opgericht. Ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag schrijft L. Couturier in het reeds eerder genoemde artikel in Arnhem-Centrum over dit huldigingscomité: “Men weet dat een comité is gevormd om Antoon Markus ter gelegenheid van zijn 60sten verjaardag, op Zondag 7 September a.s. te huldigen”. “De Nederlandse kunstenaars worden over het algemeen niet overstelpt met eerbewijzen en herdenkingen van belangrijke data komen, behalve bij toneelspelers, sporadisch voor”, heet het in een circulaire, die het huldigings-comité-Henri van Lerven, Mej. B. Peters, Xeno Münninghoff en J. Wesselink heeft verspreid. “Daar hier”, zo leest men verder, “een kunstenaar feest gaat vieren, die door zijn ernstig werk zoveel voor de Nederlandsche en vooral voor de Geldersche kunst heeft gedaan, meenen wij, dat het op onze weg ligt te zorgen, dat zijn 60ste geboortedag een echte feestdag wordt. En dat zal bereikt kunnen worden door van hem aan te koopen een voor zijn kunst representatief schilderij en dit benevens een door Mevrouw T. Münninghoff-van Vliet geschilderd portret van den jubilaris te schenken aan een officieel lichaam, b.v. het museum van zijn geboortestad Arnhem”. Het huldigingscomité, geformeerd ter gelegenheid van Markus’ zeventigste verjaardag in 1940, vervolgt de ingeslagen weg en koopt met ingezameld geld vanuit de Arnhemse en Oosterbeekse burgerij een schilderij van de jubilaris aan “om dit te plaatsen in een officieel gebouw in zijn geboorteplaats”. Het comité bestaat uit een Arnhemse en Oosterbeekse delegatie. De Oosterbeekse comitéleden zijn J.J. Talsma, burgemeester, Mevr. Tony de Ridder, Xeno Münninghoff, P.J. Romijn, eigenaar van de plaatselijke boekhandel en Johan Wesselink. Markus spreekt in zijn dankwoord de hoop uit dat het schilderij, voorstellende een landschap aan de Aisne met een oude toren, rustieke brug en een fraai wolkendecor, een plaatsje zal krijgen in de burgemeesterskamer in het stadhuis van Arnhem juist tegenover het huis ‘In den kastaniënboom’ op de hoek van de Markt en de Turfstraat, zijn geboortehuis. Ook Markus’ tachtigste verjaardag gaat niet onopgemerkt voorbij. Ditmaal worden een erecomité en een huldigingscomité opgericht. Een circulaire wordt opgesteld waarbij men wordt uitgenodigd om op Markus’ geboortedag de jarige geluk te wensen, nu echter rekening houdend met de leeftijd, die de jubilaris heeft bereikt: “Voor het aanbieden van persoonlijke gelukwensen zal Markus gaarne, na twee uur des middags, in zijn woning gelegenheid bieden. Wij hopen dat daarvan een goed gebruik zal worden gemaakt, doch dat men er rekening mede zal willen houden, dat deze veteraan onder de schilders die dag de tachtig-jarige-leeftijd heeft bereikt. En zo worden deze verjaardagen ware happenings. Tijdens de viering van zijn tachtigste verjaardag biedt Johan Wesselink hem een met de hand gedreven koperen schaal met inscriptie aan, een werkstuk van de Oosterbeekse edelsmid Frans Zwollo jr. (1896-1989) en een enveloppe met inhoud. De Oranje Vereniging overhandigt Markus een wandelstok met oranje versierd en de Koninklijke Oosterbeekse Harmonie brengt om zeven uur ’s avonds een serenade met fakkellicht. “Eenige muzieknummers werden uitgevoerd, terwijl een grote kring van belangstellenden om de jubilaris een rondedans uitvoerde”. (krantenknipsel 1950, herkomst onbekend) Tony de Ridder, de Oosterbeekse schrijfster en dichteres en lid van het huldigingscomité is getuige van de festiviteiten. Haar verslag geeft tevens een beeld hoe geliefd Markus is bij de Oosterbeekse burgerij: “Wie dit niet heeft meegemaakt, gisteravond, kan er zich geen voorstelling van maken, hoe glorieus dat is geweest: de serenade, die de Kon. Harmonie daar bracht aan Oosterbeeks tachtig-jarige. De naam hoeft bijna niet meer te worden genoemd. Onze Toon Markus is dermate populair, dat dit niet nader hoeft te worden verklaard [….] We gingen een oude kunstenaar begroeten en hem danken voor wat zijn kunst ons schonk zovele jaren door. Dat is, geloof ik, iets zeer zeldzaams, dat een kunstenaar in een dorp zo populair is als onze Antoon Markus dat is bij ons.

Deze verjaardag zal tevens de laatste zijn, die zo grootschalig wordt gevierd. Langzaam gaat de gezondheidstoestand van Markus achteruit en worden zijn krachten minder. “Zijn leven ebt thans weg in de stilte van hoge ouderdom, zijn arbeid is geëindigd”. (Wesselink, 1955) Volgens de wens van de jarige en diens familie wordt zijn vijfentachtigste verjaardag in intieme kring met enige goede vrienden gevierd in het atelier aan de Wolfhezerweg. In een verslag van deze verjaardag wordt de wens uitgesproken: “Markus, blijf nog wat jaren in ons midden en geniet van de welverdiende rust, na je werkzame kunstenaarsleven, waarin ons zoveel schoons geschonken werd”. (krantenknipsel 1955, herkomst onbekend) Doch reeds enkele maanden later, in de namiddag van zaterdag 17 december 1955, overlijdt Antoon Markus. Hij wordt temidden van zijn werk opgebaard in het atelier. De begrafenis vindt plaats op woensdagmiddag 21 december op de Algemene Begraafplaats ‘Moscowa’ te Arnhem. Het is zijn wens in zijn vaderstad Arnhem en naast zijn moeder begraven te worden. De baar is bedekt met een bos bloemen en wat bladeren uit het bos van zijn geliefd Wolfheze…………………..


Boek van Antoon Markus
Schilderspalet van Antoon Markus.
In het Gemeentemuseum in Arnhem plaatst men op een afzonderlijke plaats een schilderij als hommage aan de overleden kunstenaar voorstellende: ‘Het voetveer te Hulhuizen’.

In het voorjaar van 1957 stelt mevrouw Markus-Balster een tentoonstelling samen als een postume huldiging aan haar man in het atelier aan de Wolfhezerweg. Naast schilderijen en tekeningen zijn foto’s geplaatst. “Overal ontdekten we portretten van Antoon Markus, hier en daar neergezet. Portretten, die hem voor ons doen leven, zoals wij hem kenden. Velen kenden hem niet zoals hij van karakter was. Markus in zijn ware devotie, in zijn grote levenswijsheid en ernst in zijn onvergetelijke gezegden en citaten en in zijn zeldzame humor”. (krantenknipsel 1957, herkomst onbekend)

EPILOOG

Markus is een belangrijke exponent van de schilders van de Veluwezoom en zijn naam zal dan ook onlosmakelijk aan deze vermaarde groep landschapschilders en de plaats Oosterbeek verbonden blijven. Hij is in deze streek geboren en ondanks zijn zwerftochten keert hij er steeds weer naar terug, waar hij zijn onderwerpen vindt in het landschap van de Veluwe en de riviergezichten in de Betuwe.


Boek van Antoon Markus
Straat naar Antoon Markus vernoemd in Renkum.
TENTOONSTELLINGEN

  • 1897: 14-07 tot 01-09 Vierjaarlijksche Gemeentelijke Tentoonstelling van Kunstwerken van Levende Meesters, Musis Sacrum, Arnhem
  • 1901: Tentoonstelling van tekeningen, Londen
  • 1902: 07-08 Tentoonstelling van Schilderijen en Tekeningen door A. Markus, Kunstzalen Oldenzeel, Glashaven 20, Rotterdam
  • 1911: 10-11 Tentoonstelling van Tekeningen door Antoon Markus, Gerbrands’ Kunstzaal, Arnhem
  • 1912: 28-09 tot 10-10 Tentoonstelling van Schilderijen, Tekeningen en Studies gehouden door de Firma Gerbrands, H. van Lerven, eenige firmant, Arnhem
  • 1914: 07 Werken van: Antoon Markus-Xeno Münninghoff-L.A. Schilt-G. Stegeman, Gebouw Haagsche Kunstkring, Heerengracht 13, ’s Gravenhage; Tentoonstelling van schilderijen door Antoon Markus in de Geldersche Kunsthandel H. van Lerven & Co., Arnhem, Grooten Oord 10
  • 1916: 05 Tentoonstelling in Kunsthuis ‘Esher Surrey’, Lange Voorhout 58, ‘s-Gravenhage
  • 1916: 07 Tentoonstelling in Kunstzaal ‘Protector’, Rotterdam
  • 1916: 08 Tentoonstelling in de Geldersche Kunsthandel H. van Lerven & Co., Arnhem
  • 1922: 09 Tentoonstelling van ‘Artibus Sacrum’ (met H.N. Postma en Gert Stegeman), Korenbeurs, Arnhem
  • 1931: 13-05 tot 03-06 Eere-tentoonstelling Antoon Markus, ‘Artibus Sacrum’, Korenbeurs, Arnhem
  • 1979: 08-12 tot 14-01-1980 Antoon Markus 1870-1955, Gemeentemuseum Arnhem
  • 1980: Antoon Markus-Zeichnungen von Kleve 1925, Städtischen Museum Haus Koekkoek, Kleef
  • 1992: 26-09 tot 31-10 Antoon Markus, leven en werk, Werkgroep Veluwezoom van de Stichting voor Heemkunde in de Gemeente Renkum in Kasteel Doorwerth
  • 2003: 30-08 tot 1-11 Overzichtstentoonstelling, Stichting Museum Veluwezoom in de gemeente Renkum in Kasteel Doorwerth